The Great Alone
The Great Alone is een stuk over meta-eenzaamheid. De ervaring van eenzaamheid,
een gevoeld gebrek aan geestverwanten en lotgenoten, neemt in ons tijdsgewricht een prominente plaats in.
Door een geïndividualiseerde samenleving is onze beleving van werkelijkheid en cultuur gefragmenteerd
geraakt en daardoor moeilijker overdraagbaar of invoelbaar geworden. In bredere zin, komt dit gevoel
van verlatenheid en onoverbrugbare afstand het beste tot uitdrukking in de Fermi-paradox:
volgens de bestaande theorieën over het ontstaan van leven op aarde, zou er elders in het universum ook
sprake moeten zijn van intelligent leven, maar dit wordt vooralsnog nergens waargenomen.
“But, where is everybody?”, riep de Italiaans-Amerikaanse natuurkundige Enrico Fermi in 1950 uit.
Op mijn zoektocht naar een tekst die dit sentiment het beste wist te vatten, herinnerde ik mij een strofe
uit een gedicht van Robert W. Service (1874-1958), een Engelse dichter annex bankmedewerker die in 1904
naar Alaska trok, om zijn geluk te beproeven bij de goldrush die daar toen gaande was:
Were you ever out in the Great Alone,
when the moon was awful clear,
And the icy mountains hemmed you in
with a silence you most could hear;
With only the howl of a timber wolf,
and you camped there in the cold,
A half-dead thing in a stark, dead world,
clean mad for the muck called gold;
While high overhead, green, yellow and red,
the North Lights swept in bars? —
Then you've a hunch what the music meant. . .
hunger and night and the stars.
Aanvankelijk was het mijn plan om naast deze tekst ook andere bronnen te gebruiken,
zoals fragmenten uit Genesis over het ontstaan van het leven op aarde en "Ich fühle
Luft von anderem Planeten" van Stefan George (dat ook diende als motto voor Schönbergs
2e strijkkwartet). Maar tijdens het maken van het stuk kwam ik erachter dat ze niets toevoegden
en, erger nog, de flow van het geheel in de weg zaten en onderbraken. Maar bovenal
ontdekte ik dat de tekst van Robert Service (the Bard of the Yukon) alles in zich had wat
ik zocht om de gevoelens van eenzaamheid en verlatenheid die mij voor ogen stonden tot uitdrukking
te kunnen brengen.
Mijn Great Alone bestaat uit een aaneenschakeling van klankgedichten. De tekst is onderverdeeld
in korte segmenten, als Moon awful clear en A half-dead thing, die elk een specifiek
aspect van de tekst verder uitdiepen en zich aaneenrijgen tot een muzikaal discours. Hunger, een
metafoor voor iedere vorm van verlangen, keert als een soort ritornello op diverse plaatsen in het ongeveer
35 minuten durende stuk terug.
De vocale lijnen die ik voor de twaalf zangers schreef benaderen hen a priori als individuen, ze komen ook
afzonderlijk van elkaar het podium op. Ze zijn als losse atomen die door het stuk heen allerlei verbindingen
met elkaar aangaan en in verschillende gelaagdheden ten opzichte van elkaar verschuiven. Soms vormen ze samen
één geheel, op andere momenten zijn ze allen tegelijk alleen. De muziek voor cello en percussie die het vocale
sporadisch omlijst wil de onmetelijkheid van het heelal en de onbereikbaarheid van de sterren tot uitdrukking brengen.